|
|
2008/5/28
No quise
No quise decirte nada.
Vi en tus ojos
Dos arbolitos locos.
De brisa, de risa y de oro.
Se meneaban.
No quise
No quise decirte nada.
In een meisjesoor
Nee, ik wou niet
Nee, ik wou je niets zeggen.
Ik zag in je ogen
Twee geke boompjes.
Van wind, van lach, van goud.
Ze wiegden heen en weer.
Nee, ik wou niet
Nee, ik wou je niets zeggen. 2007/6/10
Sloten onder kroos, pointillisme van groen, stilliggend geril van begin, natuur die vijf miljard puntjes tegelijk op haar i's zet.
Ik op mijn buik langs zo'n sloot. Geef me mijn bril eens. Puntjes op de i inspecteren is mijn beroep en vooral: daarbij op mijn buik liggen. Hoeveel puntjes heb je nodig voor groen?
Hoeveel zandkorrels, zandkorzels, voor strand? Hoeveel mensen voor mensheid? Twee. Iemand met sproeten, en iemand die ze telt.
2007/3/23
Ik houd ervan wanneer je zwijgt, dan is het of je afwezig bent en mij hoort uit de verte, en mijn stem raakt je niet aan. Dan lijkt het of je ogen weggevlogen zijn en of een kus je mond verzegeld heeft.
Omdat alle dingen zijn vervuld van mijn ziel, doem jij op uit de dingen, van mijn ziel vervuld. Als vlinder van droomstof lijk je op mijn ziel en lijk je op het woord ‘melancholie’.
Ik houd ervan wanneer je zwijgt en als op afstand bent. Dan is het net of je klaagt, een kirrende vlinder. En je hoort me uit de verte, en mijn stem bereikt je niet: sta mij toe te zwijgen met jouw stilte.
Sta mij toe om ook tot je te spreken met je stilte, helder als een lamp, eenvoudig als een ring. Jij bent de nacht, verstild, bezaaid met sterren. Jouw stilte lijkt van ster, zo ver en ongekunsteld.
Ik houd ervan wanneer je zwijgt, dan is het net of je afwezig bent. Afstandelijk en smartelijk alsof je was gestorven. Dan reikt één enkel woord, één glimlach. En ik ben blij, blij dat het niet zo is.
2007/2/27
Dus hoe ik je heb gemist? Ik moet het niet meer weten, nu je met je mond vol kus gespaard weer voor me staat.
Ik was niet bang, ik wist dat ik je zou herkennen aan je steeds mooier worden, bijvoorbeeld je ogen zijn weer groter gegroeid.
Missen, mijn liefste is een kunst, jou missen mijn Guernica.
2006/6/5
Zie je ik hou van je, ik vin je zoo lief en zoo licht- je ogen zijn zoo vol licht, ik hou van je, ik hou van je.
En je neus en je mond en je haar en je ogen en je hals waar je kraagje zit en je oor met je haar er voor.
Zie je ik wou graag zijn jou, maar dat kan niet zijn, het licht is om je, je bent nu toch wat je eenmaal bent.
O ja, ik hou van je, ik hou zoo vrees’lijk van je, ik wou het helemaal zeggen - Maar ik kan het toch niet zeggen.
1 maand...

2006/5/14
Zoudt ge mij willen kussen?
Zoudt ge mij heel zachtjes willen kussen?
Zo heel voorzichtig?
Dat eerst de donskes die ge bijna ni ziet op ons lippen mekaar
raken en kietelen dat ge dat alleen voelt en dat bij dat gevoel uw hart overslaat en dan tien keren zo rap slaat dat uwen buik toeklapt dat er precies nen bijennest in uw lijf zit dat ge bijna zou willen wenen dat ge uw ogen dan open doet en recht in ander ogen kijkt dat ge ze dan terug sluit en verder zoekt eerst weer de donskes en dan de lippen.
Weet ge waarom ze kussen kussen noemen?
Omdat lippen kussens zijn ge voelt de kussens van iemand anders en ge voelt ze helemaal ge zoekt ge bijt met uw lippen in ander lippen, dan steekt ge voorzichtig uw puntje van uw tong tussen die lippen en da puntje raakt een ander puntje de puntjes kussen mekaar ook ge wilt verder happen, happen in mekaar zonder mekaar zeer te doen ge raakt mekaar aan van vingers naar handen naar armen ge voelt de kleren ge voelt de kleren van een ander en ge wilt eronder vel tegen vel ge wrijft ge wilt wrijven alles.
We kleden mekaar uit blote lijven die tegen mekaar springen ge wilt mekaar ge zoekt mekaar overal op uw lijf alles is zo schoon.
Wilt ge me kussen?
Ik zou da willen voelen.
2006/4/27
Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht De witte bloesems in de scheemring -- ziet, Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht, Een enkele al te late vogel vliedt.
En ver, daar ginds, die zachtgekleurde lucht Als perlemoer, waar ied're tint vervliet In teêrheid... Rust -- o, wondervreemd genucht! Want alles is bij dag zó innig niet.
Alle geluid dat nog van verre sprak, Verstierf -- de wind, de wolken, alles gaat Al zachter en zachter -- álles wordt zo stil...
En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak, Dat al zó moê is, altijd luider slaat, Altijd maar luider, en niet rusten wil.
2006/4/20
Heb jij mij nu onder de voet gelopen
of ik jou?
Het stormt, het giet, we weten het niet
en ook niet wie van ons verdrietig is en wie vrij onbewogen.
Ik hoorde wel iets breken, maar onder jouw voet, onder de mijne…?
En is verwondering genoeg, of moeten we schreeuwen?
Maar wie? Jij, ik?
2006/4/14
Trois allumettes une à une allumées dans la nuit
La première pour voir ton visage tout entier
La seconde pour voir tes yeux
La dernière pour voir ta bouche
Et l’obscurité tout entière pour me rappeler tout cela
En te serrant dans mes bras.
Drie lucifers één voor één aangestreken in de nacht
De eerste om heel je gezicht te zien
De tweede om je ogen te zien
De laatste om je mond te zien
En heel de duisternis om me dat alles te herinneren
Terwijl ik je in mijn armen houd.

2006/3/19
Ik dacht dat het niet kon: dat iets wat je niet ziet je alle dagen draagt en sterker maakt.
Alsof je spieren krijgt van liefde
En kijk: het klopt: het hart van oma slaat nog over als ze opa ziet.
Maar nu hij oud is en te bed, misschien nog net de hemel haalt, loopt oma sinds een poosje krommer en vraagt ze vaker om mijn arm.
Zonder hem krijgt ze het huis niet warm en zelfs de hond zakt zuchtend naast de luie stoel.
Dus is het waar dat liefde spieren geeft en op den duur ook vuur.

2006/3/16
Carmen CIX
Iucundum, mea vita, mihi proponis amorem hunc nostrum inter nos perpetuumque fore. di magni, facite ut vere promittere possit, atque id sincere dicat et ex animo, ut liceat nobis tota perducere vita aeternum hoc sanctae foedus amicitiae.
Gedicht 109
Mijn leven, jij houdt mij voor dat deze liefde van ons, tussen ons aangenaam en eeuwig zal zijn. Grote Goden, maak dat zij dit echt kan beloven, en dat zij dit oprecht zegt vanuit haar hart zodat het ons gegund is heel ons leven voort te zetten dat eeuwige verbond van heilige liefde.
(geheel eigen, vrije vertaling...)

2006/3/13
‘Kom terug.’
Als ik die woorden eens zó zacht kon zeggen
dat niemand ze kon horen, dat niemand zelfs kon denken
dat ik ze dacht…
en als iemand dan terug zou zeggen
of desnoods alleen maar terug zou denken,
op en ochtend:
‘Ja.’
2006/2/21 'k Heb menig uur bij u gesleten en genoten, en nooit en heeft een uur met u me een enklen stond verdroten.
'k Heb menig menig blom voor u gelezen en geschonken, en, lijk een bie, met u, met u, er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u, zo lang zij duren koste, maar nooit een uur zo droef om u, wanneer ik scheiden moste, als het uur wanneer ik dicht bij u, dien avond, neergezeten, u spreken hoorde en sprak tot u wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u gezocht, geplukt, gelezen, als die dien avond blonk op u, en mocht de mijne wezen !
Ofschoon, zo wel voor mij als u, -wie zal dit kwaad genezen ?- een uur bij mij, een uur bij u, niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u, zo lief en uitgelezen, die roze, al was 't een roos van u, niet lang een roos mocht wezen, toch lang bewaart, dit zeg ik u, 't en ware ik 't al verloze, mijn hert drie dierbre beelden: U, dien avond en die roze!
2006/2/10
in de koele schaduw
van gevorkte takken
kwistig met
zomer bebladerd
picknickten we
op een zondagnoen
lachend lepelden
we elkaar
stukjes fruit
en lipten met rietjes
aan ranja
met ijsblokjes
een roodbollig lieveheersbeestje
op mijn ruitjesservet
legde de link
en kriebelde
zich vrijpostig
tussen ons in

2006/1/28
Mère des jeux latins et des voluptés grecques, Lesbos, où les baisers, languissants ou joyeux, Chauds comme les soleils, frais comme les pastèques, Font l'ornement des nuits et des jours glorieux, Mère des jeux latins et des voluptés grecques,
Lesbos, où les baisers sont comme les cascades Qui se jettent sans peur dans les gouffres sans fonds Et courent , sanglotant et gloussant par saccades, Orageux et secrets, fourmillants et profonds ; Lesbos, où les baisers sont comme les cascades !
Lesbos, où les Phrynés l'une l'autre s'attirent, Où jamais un soupir ne resta sans écho, A l'égal de Paphos les étoiles t'admirent, Et Vénus à bon droit peut jalouser Sapho ! Lesbos, où les Phrynés l'une l'autre s'attirent,
Lesbos, terre des nuits chaudes et langoureuses, Qui font qu'à leurs miroirs, stérile volupté ! Les filles aux yeux creux, de leur corps amoureuses, Caressent les fruits mûrs de leur nubilité ; Lesbos, terre des nuits chaudes et langoureuses,
Laisse du vieux Platon se froncer l’œil austère ; Tu tires ton pardon de l'excès des baisers, Reine du doux empire, aimable et noble terre, Et des raffinements toujours inépuisés. Laisse du vieux Platon se froncer l’œil austère.
Tu tires ton pardon de l'éternel martyre, Infligé sans relâche aux cœurs ambitieux, Qu'attire loin de nous le radieux sourire Entrevu vaguement au bord des autres cieux ! Tu tires ton pardon de l'éternel martyre !
Qui des Dieux osera, Lesbos, être ton juge Et condamner ton front pâli dans les travaux, Si ses balances d'or n'ont pesé le déluge De larmes qu'à la mer ont versé tes ruisseaux ? Qui des Dieux osera, Lesbos, être ton juge ?
Que nous veulent les lois du juste et de l'injuste ? Vierges au cœur sublime, honneur de l'Archipel, Votre religion comme une autre est auguste, Et l'amour se rira de l'Enfer et du Ciel ! Que nous veulent les lois du juste et de l'injuste ?
Car Lesbos entre tous m'a choisi sur la terre Pour chanter le secret de ses vierges en fleurs, Et je fus dès l'enfance admis au noir mystère Des rires effrénés mêlés aux sombres pleurs ; Car Lesbos entre tous m'a choisi sur la terre.
Et depuis lors je veille au sommet de Leucate, Comme une sentinelle à l’œil perçant et sûr, Qui guette nuit et jour brick, tartane ou frégate, Dont les formes au loin frissonnent dans l'azur ; Et depuis lors je veille au sommet de Leucate,
Pour savoir si la mer est indulgente et bonne, Et parmi les sanglots dont le roc retentit Un soir ramènera vers Lesbos, qui pardonne, Le cadavre adoré de Sapho qui partit Pour savoir si la mer est indulgente et bonne !
De la mâle Sapho, l'amante et le poète, Plus belle que Vénus par ses mornes pâleurs ! - L’œil d'azur est vaincu par l’œil noir que tachète Le cercle ténébreux tracé par les douleurs De la mâle Sapho, l'amante et le poète !
- Plus belle que Vénus se dressant sur le monde Et versant les trésors de sa sérénité Et le rayonnement de sa jeunesse blonde Sur le vieil Océan de sa fille enchanté ; Plus belle que Vénus se dressant sur le monde !
- De Sapho qui mourut le jour de son blasphème, Quand, insultant le rite et le culte inventé, Elle fit son beau corps la pâture suprême D'un brutal dont l'orgueil punit l'impiété De celle qui mourut le jour de son blasphème.
Et c'est depuis ce temps que Lesbos se lamente, Et, malgré les honneurs que lui rend l'univers, S'enivre chaque nuit du cri de la tourmente Que poussent vers les cieux ses rivages déserts. Et c'est depuis ce temps que Lesbos se lamente !
2005/12/16
Alles is relatief
behalve jij mijn lief
2005/10/26
Je hebt me alleen gelaten
maar ik heb het je al lang vergeven
want ik weet dat je nog ergens bent
vannacht nog, toen ik door de stad
dwaalde, zag ik je silhouet in het glas
van een badkamer
en gisteren hoorde ik je in het bos lachen
zie je, ik weet dat je er nog bent
laatst reed je me voorbij met vier
andere mensen in een oude auto
en ofschoon jij de enige was die
niet omkeek, wist ik toch dat dat jij
de enige was die mij herkende, de enige die
zonder mij niet kan leven
en ik heb geglimlacht
ik was zeker dat je me niet verlaten zou
morgen misschien zul je terugkomen
of anders overmorgen of wie weet wel nooit
maar je kunt me niet verlaten.
2005/10/18
somewhere I have never travelled, gladly beyond any experience, your eyes have their silence: in your most frail gesture are things which enclose me, or which I cannot touch because they are too near
your slightest look will easily unclose me though I have closed myself as fingers, you open always petal by petal myself as Spring opens (touching skilfully, mysteriously)her first rose
or if your wish be to close me, I and my life will shut very beautifully ,suddenly, as when the heart of this flower imagines the snow carefully everywhere descending; nothing which we are to perceive in this world equals the power of your intense fragility: whose texture compels me with the colour of its countries, rendering death and forever with each breathing
(I do not know what it is about you that closes
and opens; only something in me understands the voice of your eyes is deeper than all roses) nobody, not even the rain, has such small hands
2005/9/7
op een dorre tak
is een kraai nog blijven zitten
in de herfstavond.
2005/9/3
Je bent niet hier,
Maar ergens
Ik ben daar niet.
Al is het er,
Dat ergens,
Ik vind het niet.
Ik vind het niet
Dan ergens,
Waar jij nu bent.
Waar ik niet ben,
Ik die alleen maar
Ergens voor jou ben.
|