Hanne 的个人资料hanniebrouckie照片日志列表更多 ![]() | 帮助 |
|
|
2007/9/16 Hehe
I.
Ze zeggen dat mijn borsten te klein zijn. Ja… Te klein… Maar ja, ik vond dat nooit zo erg, ik bedoel, het is ook niet dat ze zo klein zijn hé. Toch? Justine Henin heeft toch ook kleine borsten? En Meg Ryan! En Gwyneth Paltrow! En zeker nog heel veel van die beroemde vrouwen. Maar ik ben niet beroemd. En zij zeggen dat ik kleine borsten heb. Ze zeggen ook dat ik te dik ben. Hierzo, aan mijn buik. Vet, vet, vet, overal vet! Zie! Ze zeggen ook dat ik een gigantische kont heb, en mijn billen vinden ze ook te dik en mijn benen ook. Alles eigenlijk… Maar ja. Ik vond dat niet zo erg, maar zij zeggen dat, en ja. Als zij het zeggen. Dan ben ik dik é. Ik ben dik.
II.
Is dat nu echt nodig?
Moet je daar nu echt elke keer weer over zagen en klagen? Altijd weer opnieuw?
Pff. Was je een kleur, je was ‘Black&Dekker Rood’. Hehe.
Een lachje kan er ook al niet meer af zie ik. Jongens toch.
Wat zit je nu weer zo boos te kijken? Denk je dat het leuk is voor mij? Elke dag een gezicht te moeten bekijken als een stront?
Shit zeg, kijk je eigenlijk altijd zo? Want ik kan me niet inbeelden dat je baas dat erg leuk vindt, of kickt hij daar op misschien? Is het daarom dat hij je nog niet heeft ontslagen? Want, hoho, moest ik jouw baas zijn, amai, ik zou geen geen zo’n klager, geen zo’n vies geneuk, geen zo’n grote zaag moeten hebben.
Of bewaar je die blik speciaal voor mij?
Ja, dat is het hé? Jij denkt zeker dat ik dat aangenaam vind?
Alsjeblieft zeg, ik gooi mezelf - nee, ik duw jou nog liever onder een auto dan dit geklaag nog langer te moeten aanhoren.
Allez, geef toe. Het is toch echt niet nodig om over elk detail zo door te drammen? Het is niet nodig om twaalf uur per dag mijn oren af te zagen over ik weet niet wat voor onbelangrijke zaken. En het is zeker niet nodig om hier heel de tijd vies rond te lopen en te roepen en te stampen als een moordlustig kijkende olifant.
Jaja, ik weet het wel, je kijkt niet boos, je hebt pijn. Pijn aan je hoofd waarschijnlijk, door teveel werk en stress hé, en dat op jouw leeftijd… hum.
Nuja, ik klaag niet hoor, ik laat het allemaal wel over me heen gaan, vuur maar af! Het is niet erg, ik ben het ondertussen al gewend, ik kan het wel aan en ik onderga dat allemaal voor jou, omdat ik van je hou. Hehe.
Kom kom, het was maar om te lachen hé. Zeg!
Je hoeft nu niet zo koud te doen hé, koelkastje. Ik bedoel dat toch niet zo.
Liefje, luister. Kom eens hier, kom. Je weet toch dat ik je graag zie?
2007/5/6 "I won't go, I won't sleep, I can't breath..."
Er zit een beest in mij, dat hoe dan ook naar buiten moet. Het monster stampt en gromt en klauwt, hij beukt zijn harde lijf tegen de wanden van mijn binnenste. Kloppende koppijn en een maagzweer krijg ik ervan. Het beest schreeuwt en gilt en beeft, hij laat een vervaarlijke rij tanden zien en hapt ermee, alsof hij me wil waarschuwen: "kom niet dichterbij!" Maar hij komt dichterbij, hij groeit vreselijk zodat ook mijn buik gaat opzwellen. Mijn hoofd lijkt dat van Violet Beauregarde wel, alleen zie ik nog niet blauw. Hoewel, onder mijn ogen ziet het wat zwart, maar dat is door mijn andere manie, insomnia. Een ander beest, een ander verhaal. "Wie ben je?" stampvoet het beest luidruchtig, alsof ik de indringer ben en niet hij. Maar een antwoord heb ik niet. Zachtjes wrijf ik over mijn buik, nee, de pijn zal niet weggaan en ook het monster niet, maar ik doe tenminste IETS. Iets Doen. Verschrikkelijke woorden, roepen beelden op van gemene dictators die dwingen tot arbeid. Maar ik zit stil of lig onrustig neer en presteer helemaal niks. De wereld draait ook wel zonder mij. Mijn monster doet genoeg voor mij. Als ik nu ook nog eens zou opstaan, valt de hele wereld uiteen.
2007/2/23 Hier, naast me, gebeurt zomaar het leven...stukje uit "Als in een droom" van Remco Campert, p. 8 Hier, naast me, gebeurt zomaar het leven. 2007/1/24 let it be, let it snow...En de sneeuw blijft maar vallen, alles is prachtig wit… onbeweeglijk lijkt de wereld. Ik staar vanuit het venster naar een plek zonder tijd, zonder mensen, zonder wind. Ik trek mijn laarsjes aan en stap het schilderijtje binnen, ik waan me een prinses, een elfje, helemaal alleen in mijn sneeuwkasteel. Alles is wit, nog niks vernield door blinde voetstappen. Heel langzaam dwarrelen kleine vlokjes neer. Dit is niet langer nu, ik ben op een plaats heel lang geleden, toen kerktorens nog machtig neerkeken op de kleine huisjes aan hun voeten en de sneeuw voor dagen op die daken lag. En ook nu blijft het voor even zo, een foto, een stilstaand beeld. Alleen ik verbreek de stilte met krakende stappen in de smetteloze sneeuw. De zon piept schuchter vanuit een hemel zo wit als het bedekte gras, zelfs zij ziet er wat bleekjes uit. Mijn koude handen vinden sneeuw, de geur en de aanblik van deze plek laten mij smelten. Ik laat me vallen. Naast mijn kleine voetstappen verschijnen enkele engelen, zij rusten waakzaam in hun bed van sneeuw.
2007/1/8 Le néantZe lag in foetushouding op haar bed. Met een geconcentreerde blik kneep ze haar ogen heel hard dicht en beet op haar lippen. Het bed dat uit de tijd van Le Roi Soleil leek te stammen omvatte haar niet beschermend, maar was eerder een vleesetende plant die niets liever wou dan zijn prooi met één hap doorslikken. De witte lakens echter, probeerden het meisje te behoeden voor dit grote gevaar door zich rondom haar benen, buik en armen te wikkelen. Zijzelf merkte niets van dit stilzwijgende gevecht van bed en laken. Onbeweeglijk bleef ze liggen, alsof er niets anders bestond dan wat er zich achter haar oogleden afspeelde. Een snerpende toon brandt mijn oren dicht als ware het met opzet om me doof te maken. Het oncontroleerbare geluid dat nooit uit zichzelf zal overgaan, kan ik alleen terugdringen door mijn ogen te sluiten en pas weer terug te keren naar de werkelijkheid als het ophoudt. Achter het zwart van mijn oogleden ligt enkel nog meer zwart, met ogen gesloten hoor ik die pijn nog scherper. Het nadert, langzaam sluit het me in en gaat over in een fortissimo. Een horde strijkers die nog nooit eerder hun instrument bespeelden en ik, als enige van een geluidloos publiek, sta in hun midden. Zelf kan ik niks uitbrengen, alleen wachten tot de pijn overgaat. Alles is wachten. Ik druk mijn ogen dicht, het zwart wordt zwart met donkergroen en rode vlekjes, de kleuren schreeuwen van de pijn. De angst voor nog meer pijn ligt als een rotsblok op mijn oogleden. Mijn hele kamer is nu vervuld van een oorverdovend concert, de blauwe muren weerkaatsen elk pijnlijk geluid en zelfs het plafond speelt mee en mijn zwart vervaagt nu mee met het blauw van het plafond. Een onhandige poging om de hemel na te bootsen, nu enkel een vierkant Indigo-doosje, een gevangenis voor een wilde, voor een gek, een veel te krappe, onderaardse grot, een blauwe ijskoude hel. Maar zeker geen hemel. God, laat mijn oor er alsjeblieft af vallen. Ik schreeuw het uit van binnen, kronkel me in de witte lakens en dan ontsnapt er ook een gil uit mijn keel. Haar ogen schoten angstig open, verwilderd keek ze de kamer rond, blauw vermengde zich in een wazig beeld met wit en een donkere nacht. De pijn was voorlopig opgehouden. Haar oor zag er weer perfect normaal uit, gedroeg zich als een onschuldig meisje en verborg zich onder haar lange, warrige haren. Toen ze zich eindelijk ertoe kon brengen recht te gaan zitten, boog haar rug zich weer onder een hevig snikken. Tranen klitten zich vast in haar haren, haar mond was vochtig, het zout trok een streep door haar bebloede mond. Een ergere pijn dan het vreselijke geluid in haar oren, doorboorde nu haar maag, herhaaldelijk. Als een geperforeerd wit blaadje om papieren sneeuw mee te maken, vloog ze langzaam naar de grond en liet zich vallen. Geen bange foetus, maar een levenloze pop, zo eentje dat ook echt kan huilen. Haar wangen glinsterden van het vocht, ze nam niet eens de moeite om snot, tranen of welk ander vocht dan ook, af te vegen. Roerloos lag ze languit op haar bed, met haar ogen open staarde ze naar het plafond, ze dacht nergens aan, terwijl de tranen maar bleven opborrelen uit haar ogen en langzaam aan hun lange tocht naar beneden begonnen. Nee, ze dacht nergens aan. Alles was blauw. Alles was wachten. 2006/10/15 Dat heet dan gelukkig zijn...In de lessen Grieks zijn we bezig over “geluk”. Er worden eigenlijk vooral veel vragen gesteld, waar de oude Griekse filosofen een antwoord op hebben proberen te vinden. De meningen zijn natuurlijk nogal uiteenlopend en zo zijn de vele filosofische stromingen ontstaan zoals epicurisme (waar men geluk vindt in het streven naar genot) of het stoïcisme (waar men geluk vindt in het zich tevreden stellen met wat men heeft). Maar allen zijn het erover eens dat de mens moet streven naar geluk, anders kan hij nooit gelukkig zijn. Maar wat is geluk nu eigenlijk? Wanneer ben je gelukkig? Persoonlijk denk ik dat veel mensen geluk nogal vaak verwisselen met blij zijn of ongelukkig met droevig zijn. Het grote verschil is dat gevoelens als blijdschap, verdriet, woede of angst maar tijdelijk zijn. Echt gelukkig zijn is een toestand, een dieperliggend, altijd aanwezig “gevoel” dat je altijd steunt of je nu blij of droevig bent. Je zou het kunnen stellen alsof je hele persoon altijd gelukkig is en je hoofd –of hart, zo je wil– soms andere gevoelens ervaart. Bij ongelukkig zijn is het natuurlijk net hetzelfde. Het probleem echter met gelukkig en –vooral dan met– ongelukkig zijn is dus dat het niet tijdelijk, maar permanent is. Het wordt tegelijk bepaald door grootse dingen als liefde, vriendschap, zelfwaardering,… als de kleine dingen in het leven die alles aangenamer maken vb een glimlach, je lievelingseten, mooie muziek,... Want voor iedereen ligt dat kleine geluk natuurlijk ook in andere dingen, voor de één is het gezellig een pintje drinken, voor de ander een goed toneelstuk zien. Ik bedoel maar dat geluk heel persoonlijk is en toch ook weer iets algemeens. Maar zo is het dus heel moeilijk om van een ongelukkig persoon een gelukkig persoon te maken of omgekeerd. Hoewel, misschien is het makkelijker om iemand gelukkig te maken. Meestal ligt hun ongelukkig-zijn eigenlijk aan hun levensvisie. Wie enkel de negatieve kantjes ziet van de wereld, wie enkel kijkt naar wie hem niet graag heeft, naar wat hij niet graag doet, wat er niet goed is,… Dan kun je niet anders dan in een negatieve spiraal terechtkomen en ongelukkig zijn. Hoe meer je overal slechte dingen ziet, hoe slechter je je zelf gaat voelen, en hoe slechter je je voelt, hoe slechter al de rest in de wereld wordt… en zo kom je een hele grote vicieuze cirkel terecht, waar je moeilijk uit raakt. Maar als je eens wat meer zou kijken naar wat wél goed is, naar wie je wél graag heeft, naar wat wél leuk is in plaats van naar al dat negatieve, heb je sowieso al een positievere kijk op het leven en word je vanzelf ook gelukkiger. Het negatieve wordt vanzelf minder waard, wanneer je meer gaat kijken naar leuke, goede dingen. Waarom zou je ook doemdenken? Waarom zou je van deze toch al mooie wereld iets slechts maken? Wie enkel kijkt naar wat hij niet leuk vindt, is niet alleen egoïstisch, maar ook nog dom bezig. In plaats van gewoon eens verder te kijken dan je neus lang is en genieten van deze prachtige wereld, die net als ieder mens zijn slechte kantjes en fouten heeft. Maar als je niet zoekt naar het goede, zul je het ook niet vinden. Als je niet kijkt naar het goede, zul je ook niets goeds ervaren. Je moet het ook gewoon durven beter proberen te maken voor jezelf, als je iets niet graag doet, zoek een manier waardoor het leuker wordt, en fixeer je niet zozeer op hetgeen je niet leuk vindt. Zou het idealistisch denken zijn om samen proberen te streven naar een betere wereld, een gelukkiger wereld? Is het mogelijk dat er ooit geen armoede, geen oorlog meer zal zijn? Ik hoop het echt. Maar het meest van al hoop ik dat mensen die niet arm zijn, die niet in een oorlogsgebied wonen en die zelf kunnen kiezen wat ze doen met hun leven, er dan ook echt zelf voor kiezen. En die juiste keuze is, denk ik toch, tevreden zijn met wat deze wereld biedt en al haar kansen die ze geeft met beide handen grijpen. Met andere woorden: streven naar geluk.
2006/10/4 Gesluierde monologen - Adelheid RoosenGisteren gaan kijken naar "de gesluierde monologen", hier een stukje dat ik heel mooi vond...
Als ik in de trein zit en ik zie een mooie man, dan wil ik die openpeuteren. Tegenover me zit een jongen. Hé....ik zie je, ik vind je mooi, ik ga je nemen. Shh, niet praten, dat leidt me af. Ik wil in je kruipen en opnieuw geboren worden. Ik wil je borst openscheuren en erin duiken.
Ik wil je op je buik draaien en je nemen. Ik wil je zacht neuken, je teder uitscheuren, je in me stoppen en aan mijn borsten rijgen. In en uit je glijden. Te groot voor je, te veel voor je. Tot je jezelf kwijtraakt, niet meet weet waar je begint en ophoudt. Ik wil je zien en gezien worden. Ik nodig alle mannen in de wereld uit, te duiken in mijn amoebeachtige, vibrerende kern. Mijn gouden zee waar ik op je wacht terwijl ik dans op de golven in mijn fuchsiagewaad. Soms zwart als de nacht maar altijd vrouw. Kom, terwijl het vlees van je geraamte wijkt, je botten oplossen en je voor me zweeft zoals je bent. Misschien ben je wel een onhandige logge vis.... Ik kauw op je, slik je door, troost je en spuug je weer uit. Ik verdrink je en verdrink met jou. Chaos, hysterie, structuur. Alles breekt af. Ik ben jou structuur. 2006/5/20 Look in my eyes and say you love mePlots word ik wakker. Naast me voel ik de koude van een lege plek. Ik zie het omgeslagen laken en een streepje licht dat door de opengelaten deur valt. De kilte van het bed kent de weg naar mijn hart, en een hevig gevoel van verlatenheid bevangt me. De overkant staart me wreedaardig aan, allesoverheersend is de duisternis in die put. In mijn gedachten. Een overweldigende angst voor het alleen-zijn nestelt zich in mijn hoofd en ik kan niet meer bewegen. Spreken probeer ik niet eens. Alleen lig ik in het donker, wachten tot dat straaltje licht vanzelf weer groter wordt, zo groot tot het licht overal zit, tot nergens nog duisternis te vinden is. En ik blijf liggen. Vroege ochtendvogels zijn al aan het zingen, de enigen die deze afschuwelijkheid durven doorbreken. Hoe hard ik me ook concentreer, niets anders kan ik onderscheiden tussen de nachtelijke geluiden van het huis en buiten. Geen opengaande deuren, geen stemmen, geen toiletlawaai.
Alleen die kille stilte in mijn bed, maar buiten fluiten vogels vrolijk verder, buiten. Buiten mijn stille bed en het glas dat nu alles bedekt heeft. Geen glas, maar ijs, een onverwachte koelheid in deze hete zomernacht, die mijn lichaam lijkt uit te stralen. Waarmee ik alles besmet, het laken, de kussens, het bed. Het streepje licht dat niet meer gelig is, maar helwit.
En ik wens dat jij hier bij me ligt. Zo graag wil ik worden verwarmd. Neem me in je armen. Streel me. Hou me vast. Ik schreeuw het allemaal in mijn hoofd. Maar ook mijn lippen zijn bevroren. Kus me. Kus het ijs weg. Weg van mijn mond, mijn hoofd, mijn hart. Hou me vast. Hou me vast, hou me vast. Hou van me.
2006/5/3 “ Rechten en plichten zijn als palmbomen, die slechts vruchten dragen wanneer zij naast elkaar groeien.”Verhandeling moeten schrijven voor nederlands, die man kan soms echt verschrikkelijk zijn. We hadden vier titels gekregen waar we uit mochten kiezen: 1. De Vlaming is een pillenslikker 2. Moeten burgemeesters rechtstreeks verkozen worden? 3. citaat:"Om een vriend te vinden moet men één oog dichtknijpen, om hem te behouden twee" 4. citaat: “ Rechten en plichten zijn als palmbomen, die slechts vruchten dragen wanneer zij naast elkaar groeien.”. U ziet, prachtige onderwerpen om over te schrijven, maar ik heb mijn best gedaan... Binnenkort uitslag! ;-)
“ Rechten en plichten zijn als palmbomen, die slechts vruchten dragen wanneer zij naast elkaar groeien.”
In deze tijd waarin losbandige tieners de gevangenis in vliegen, kinderen niet meer willen lezen, maar luisteren naar harde technomuziek op fuiven waar meer dan eens een gewelddadig conflict voorkomt, moeten we misschien eens kijken naar de rechten en plichten van deze tieners.
Het begint natuurlijk allemaal op school. Welke rechten de school geeft aan zijn leerlingen, kiest de school helemaal zelf. Want de rechten van de scholier zijn nooit echt vastgelegd. Daardoor zijn ook duidelijk verschillen te merken in de onderwijsinstellingen onderling. In een vrij middelbaar onderwijs zoals vb. kunstonderwijs of freinetscholen worden de rechten van de leerling vrijer opgevat dan in een Katholieke school. Meestal is er niet zo’n groot verschil te zien in het schoolreglement maar hoe men daar mee omgaat. Leraars in een katholieke school gaan strikter om met de regeltjes, terwijl in sommige vrije scholen er zelfs geen opmerkingen meer worden gemaakt.
Er zijn waarschijnlijk talloze voor- en nadelen aan beide schoolinstellingen. Zo vind ik het bijvoorbeeld niet kunnen dat leraars niet verbaasd zijn wanneer een “nieuwe” leerling voor één dag in de klas zit, eigenlijk gewoon een vriend(in) van een leerling. Sommige vrije scholen nemen die “vrij” nogal letterlijk. Roken, smoren, alcohol,… alles is toegelaten, er zijn helemaal geen voorschriften rond kledij en uiterlijk, enz.
Ik denk niet dat het goed is om leerling zoveel vrijheid te geven. Jammer genoeg denken sommige katholieke scholen door ook zo over, maar in nogal extreme zin. Uniformen zijn dan misschien wel afgeschaft, strenge regels rond kledij blijven. Dan vraag ik me wel af, wie heeft er nu last van als meisjes rondlopen met een topje met spaghettilijstjes (zolang het maar niet té laag is uitgesneden) of een jongen met een korte broek? Een leraar met sandalen?
De leerlingen zelf zeker niet. Ik ben zeker voor een reglement dat gevolgd wordt, maar dan moet men ook regels opstellen die van deze tijd zijn, liefst in samenspraak met de leerlingen zelf. En dan is het ook makkelijker voor de leerling om die regels te volgen, wat hun plicht is.
Wanneer regels niet alleen door oude mannen in een geairconditioneerde kamer worden opgesteld, maar ook door leerlingen zelf, als leerlingen zelf hun rechten én plichten mogen vaststellen, zullen ze veel liever hun plicht doen en deze regels volgen.
Leerlingen hebben hun rechten en plichten ten overstaan van de school, leraars en directeur, maar natuurlijk hebben deze ook hun eigen rechten en plichten.
Wie herinnert zich niet de zwangere lerares die door haar leerling met een schaar werd bedreigd? Is veiligheid een basisrecht voor leraars? Is het de plicht van leerlingen rekening te houden met leraars en hen ook als mensen te beschouwen?
Ik denk van wel, meer dan eens wordt dit vergeten. De leraar staat nog steeds boven de leerlingen: de aanspreking met mevrouw of meneer, de formele gesprekken na de les,… Niet dat ik zeg dat leraars onze beste vrienden en hart en toeverlaat moeten worden. Toch zou een ietsje menselijker contact tussen leraar en leerling veel verhelpen. Als de leraar dichter staat van de leerling, kunnen problemen vlugger worden ontdekt, kan de leraar de leerlingen beter helpen. Misschien is dit ook wel de plicht van zowel leerlingen als leraars, om meer rekening met elkaar te houden, niet te vergeten dat ze allebei ménsen zijn, individuen, met eigen verstand en mening.
Wat ons bij een ander recht brengt, dat van vrije meningsuiting. Zeker nu doet dit nogal wat stof opwaaien. Heeft een leraar het recht zijn eigen mening aan de leerlingen door te geven? Persoonlijk denk ik dat het niet meer dan normaal is dat een leraar soms zijn eigen mening in zijn lessen verweeft, zolang hij maar niet begint over religieuze overtuigingen of andere interpretaties van de wereld. Toen ik hoorde wat gebeurde in Amerika, welke discussies daar lopen of ze nu het scheppingsverhaal moeten geven in de les geschiedenis of de evolutieleer van Darwin. Ik denk dat we het beste religieuze teksten in de godsdienstles laten en Darwin voor de geschiedenis. De leerlingen mogen zeker de twee versies naast elkaar getoond worden, maar de leraars mogen hun eigen visie op zulke dingen niet als het enige juiste tonen.
Ik denk dat er in de toekomst nog zeer veel discussies zullen volgen, niet alleen over het vrije meningsuitingrecht, maar over alle rechten en plichten voor leerlingen én leraars. De perfecte school bestaat misschien niet en zal waarschijnlijk ook nooit bestaan, toch vind ik dat we moeten blijven werken aan alles wat nog beter kan. Er zit toekomst in het onderwijs! 2005/11/21 Afscheid Hektor en AndromacheAls een echte "griekse" kan ik het niet laten en wil ik u ook niet het mooiste stukje uit het mooiste deel van de hele Ilias onthouden, daarom : de smeekbede van Andromache. Andromache, de vrouw van Hektor -die de zoon was van koning Priamus van Troje- had gehoord dat de Grieken aan het oprukken waren en haastte zich naar de muren van Troje om te zien of Hektor nog in de strijd was. Hektor namelijk was de dapperste onder de Trojanen, en Andromache wist dat hij zelfs zijn leven zou geven voor Troje. Hektor was ondertussen naar het paleis gegaan, op zoek naar Andromache, daar hoorde hij dat ze op de muur stond. Ook hij haastte zich daarheen, maar op zijn weg ontmoeten ze elkaar...
Zij kwam hem tegemoet en met haar ging
(Ilias, Boek VI, verzen 409-428)
update : geheel eigen versie van Andromache's speech door Frelis: ach VUILE man toch, als ik je moest WASSEN, zou het beter zijn voor mij onder de DOUCHE te gaan
2005/11/9 Waar was Ascanius?Ofwel wonderlijke vragen gesteld na het lezen van Klassieke teksten
Bij het lezen van teksten uit de Klassieke Oudheid rijzen er geregeld vragen, meestal vragen die onbeantwoord blijven. We weten niet wat de schrijver ermee bedoelde, misschien schreef hij er geen uitleg bij omdat het in de Oudheid algemeen geweten was, of men stelde zich daar toen gewoon geen vragen bij. Hoe dan ook, de meeste specialisten geven op de moeilijke vragen een eenvoudig antwoord: epische concentratie.
Epische concentratie, inderdaad, welke vraag je ook stelt, dit is het antwoord erop. Hoe komt het dat Eurydice stierf, hoewel ze een nimf was? Kenden Hector en Andromache elkaar al voor De Oorlog begon? Zoja, waarom kregen ze dan pas na acht jaar een kind? Aangezien Achilles de zoon is van het koppel wiens huwelijksfeest het hele spel in gang zette, hoe lang duurde het dan vooraleer De Oorlog werkelijk begon? Hoe oud is Achilles eigenlijk, of hoe oud kan hij zijn? Hield Helena wel van Paris?…
Maar de hamvraag van vandaag is wel degelijk: waar was Ascanius? Eventjes het beeld schetsen. Toen Aeneas na een grote storm aanbeland was bij koningin Dido, ging hij op verkenning in de stad. Nadat hij zich vergewist had dat alles in orde was, liet hij de rest van de vloot aan land komen en daarbij ook zijn zoontje Ascanius. Venus nu, de moeder van Aeneas, had Cupido naar de aarde gezonden om Dido verliefd te laten worden op Aeneas. Zoals u wel weet, verschijnen goden nooit in hun werkelijke gedaante aan mensen. Daarom nam Cupido de gedaante aan van Ascanius en ging samen op weg met de andere Trojanen, naar het paleis van koningin Dido.
Maar waar was Ascanius op dat moment? Had Cupido hem bewusteloos geslagen en lag het kleine ventje nog steeds in het schip? Of was hij zelf ook op verkenning gegaan en verdwaald? Maar hoe komt het dan dat niemand achteraf er wat van merkte? Waarom wist de kleine Ascanius er zelf niets van?
Mijn eigen leraar van Latijn zelve, weet er het antwoord niet op, behalve het reeds gekende, ‘altijd redder in nood’- antwoord: epische concentratie.
Gelukkig heb ik op deze vragen eindelijk het antwoord gevonden. Geen gezwets meer over epen en concentratie, geen geleuter over “niets ter zake doende”-vragen, neen, het echte antwoord op onze vragen is: aliens. U las het goed, buitenaardse wezens, extraterrestrials, E.T.’tjes, … Ascanius was opgestraald door buitenaardse wezens en werd zolang als Cupido nodig vond vastgehouden en in ruil daarvoor mochten zij allerlei proefjes op hem uitvoeren. Niet dat dit de eerste keer was dat dit voorkwam (Waar was Achilles echt toen hij zijn uitrusting gaf aan Patrocles? …), de goden haden het allang op een akkoordje gegooid met de buitenaardse wezens, van wie anders kregen ze al die bovennatuurlijke krachten?
Inderdaad, aliens. Zonder hun krachten waren de goden een stelletje slechte soapacteurs die de wereld regeerden (vroeger luisterden men nog naar mensen die macht uitstraalden zonder die tentoon te hoeven spreiden of uit te oefenen), maar toen de mensen opstandig werden, riepen ze de hulp in van de buitenaardse wezens die tot dan toe in vrede hadden geleefd met de mensen. De goden echter hadden geen zin in opstandige mensen dus koos elk een domein en werd machtiger dan eenieder welke mens ook. Het geheugen van de mensen werd gewist, onder andere door een reusachtige vloedgolf (u wel bekend door de verhalen van Noah en Atlantis…). Het hele aardoppervlak bewoog en werd verplaatst. Mensen leefden niet langer allemaal samen op één plek, maar overal verspreid. Sindsdien werden de goden gevreesd en gelooft er niemand nog in buitenaardse wezens.
Sla uw oude boeken nog maar eens open, lees die bepaalde passages nog maar eens na en u komt tot dezelfde vraag als ik: zijn we echt alleen in het heelal?
Maar nu even serieus.
Het is toch een schande dat een leraar Latijn het antwoord op deze vraag niet kent? Zeker als een gewone leerling in een paar seconden het antwoord zelf vindt. Aeneis boek I verzen 689-696:
Jammer genoeg geen aliens dus. Weeral een godin die zich moeide en het leven van vele mensen bepaalde… En zelfs zo mag je dit niet op vatten. Mythen zijn complexe dingen, je mag ze enkel lezen om het verhaal en de boodschap, je mag niet kijken naar chronologie of er een logica in zoeken. Het is niet echt gebeurd. Ik bedoel maar, je vraagt jezelf toch ook niet af hoe het komt dat de wolf kan praten in ‘Roodkapje’? Of waarom in godsnaam de drie biggetjes huisjes moesten bouwen?
Ik beloof dan ook plechtig dat ik mijn leraar in het vervolg niet meer lastig val met vragen waarbij het antwoord zo voor de hand ligt. Andere vragen zullen natuurlijk wel blijven, de aard van het beestje kan je nu eenmaal niet veranderen.
Tot besluit nog dit (en dat om mensen aangesloten bij stichting Skepp niet tegen het hoofd te stoten): is er nog ander leven in het heelal behalve op aarde? Zijn wij echt de enige planeet waar er leven is? Zou er zelfs niet een planeet zijn met plantengroei? We hoeven niet meteen iets te vinden met intelligent leven, maar dat zou wel aangenaam zijn om te weten, niet? Dat we niet alleen zijn in dit reusachtige universum, toch?
2005/10/3 Wees gegroet Belindanaar aanleiding van een opstel voor nederlands: tekst herschrijven vanuit het standpunt van een ander personage. ( fragment uit 'Boniface' van Geertrui Daem)
update: punten gekregen! 16,5 / 20 ==> inhoud 8 /10
stijl 4,5/5
taal 4 /5
opmerkingen: orgineel standpunt en vlot geschreven, einde is wat senstioneel (invloed van tv)...
toch nog goed ;)
Het begin van de grote vakantie, zoals ieder jaar werd er een jeugdfeest georganiseerd door de onderpastoor, voor de één een belevenis om naar uit te kijken, voor de ander een avond om te verfoeien. En net als iedere andere keer was Katrien daar al veel te vroeg aanwezig, en zou ze even vroeg naar huis moeten ook. Haar moeder was niet een van de meest moderne vrouwen, het feit dat ze dit feestje al had toegestaan, was iets opmerkelijks. Het ging dan ook maar één keer per jaar door en de onderpastoor was de gastheer. Zolang Katrien op tijd thuis kwam, ging haar moeder akkoord. En wanneer zij thuis was, wist haar moeder maar al te goed. Ze keek al een half uur op voorhand naar haar uit, met haar lichtgroene kamerjas rond zich geslagen, de krulspelden in het haar, onopgemaakt en erg ongerust.
Dit alles vond Katrien flauwekul. Niet alleen haar moeders gedrag, maar ook dit belachelijke feestje. De enige reden dat ze er moest zijn, was dat ze anders helemaal niet meer mee telde. Vriendinnen had ze niet, was ook onmogelijk door het overbeschermend gedrag van haar moeder, met jongens mocht ze niet eens omgaan en ze mocht al helemaal niet in de buurt van het grotje komen. Alsof ze dat zou willen, maar soms, heel af en toe maar, had ze zin om haar moeder eens goed te grazen te nemen. En dat was ze van plan ook. Maar voorlopig deed ze wat van de enige, voorbeeldige dochter werd verwacht.
Ze zuchtte. Keek nog eens naar het gevaarlijk lonkende gat van de wijd openstaande deur van de speelzaal, en stapte over de drempel, de gang in waar ze de muziek al kon horen. The Beatles speelden ‘Love me do’, weemoedig zongen Paul en John voor een lege zaal. Slechts enkele ouders aan tafeltjes, de weinige kinderen in de gaten houdend, de onderpastoor die een McCartney-imitatie deed, terwijl zijn dikke buik meedanste op de maat van de muziek en Het toezicht die bezig was met drank uit te schenken. De Rosse was er natuurlijk ook al, die zou voor negen uur wel zat op de koer liggen brabbelen. Katrien ging om een drankje, Het toezicht wees haar vriendelijk de mogelijkheden. Het bier, naast haar op de grond, viel daar duidelijk buiten. Katriens keuze tussen het helgele drankje of het rode met fruit in, was snel gemaakt. “Fruit is gezond”, hield ze zich voor.
Ze liet haar ogen nog eens dwalen door de zaal die stilaan vol raakte, de tafeltjes stonden er niet langer om de zaal op te fleuren, maar raakten bezet door allerlei mensen. Naast ouders en feestneuzen, hadden ook enkele gemeenteraadsleden plaatsgenomen. Katriens blik werd getrokken naar twee binnenkomende meisjes, Bea en Annemie, twee trienen uit haar klas, die haar nooit een blik waard hadden gegund. Giechelend schreden ze binnen, alsof ze filmsterren waren, chique vrouwen die Katrien al eens gezien had op het televisietoestel van tante Rita. Verlangend had ze naar hen opgekeken, haar moeder gesmeekt ook zo’n toestel te kopen, zodat ze tenminste toch één vriendin had, maar haar moeder was onverbiddelijk.
Bea had weeral een nieuwe broek aan, nog iets dat haar moeder verbood, hoe vaak ze ook riep dat álle meisjes nu broeken droegen. Daarboven had ze een heel klein T-shirt aan, waar je zelfs een stukje buik kon zien en waarin haar borstjes veel groter leken. Ook al had Annemie niet zo’n gedurfde kledij aan als Bea, ze zag er nog altijd stukken beter uit dan Katrien. Annemie had dan wel haar doordeweekse rok aan, het was zeker vier keer over geplooid zodat je haar knieën kon zien, haar gebloemde bloesje stond wel erg ver open. Niet zoals het witte bloesje van Katrien, dat helemaal dichtgeknoopt was en mooi in haar lichtblauwe rok gestopt zat. Die rok had ze nog speciaal gekregen voor vanavond, “Zodat je de mooiste bent van de hele zaal”, had haar vader geknipoogd tussen twee ruzies met haar moeder door. “De mooiste? De tuttigste, ja.” Katrien had toch nog een vrije stoel gevonden, voorzichtig plaatste ze haar drankje op het tafeltje voor zich en streek haar rok glad. Van hieruit kon ze de hele zaal observeren, want van dansen zou wel niet veel in huis komen, wie zou nu in godsnaam met haar willen dansen? Zelfs de Snottebel niet.
Ondertussen hadden Bea en Annemie de aandacht kunnen trekken van Paul. “Dwaze wichten”, dacht ze. Als twee jonge hondjes keken ze verlangend naar hem, alles wat hij hen vertelde in zich op slorpend om er later opnieuw van te kunnen genieten.
Katrien nam nog een slok van haar drankje en verslikte zich bijna in een stukje fruit, net als Roy Orbison die kuchend ‘Only the lonely…’ bleef herhalen. Ieders blik was gericht op wie in de deuropening was verschenen, Belinda. Haar prachtige, witte jurk leek speciaal voor haar gemaakt, elegant streek ze een blonde lok uit haar ogen en keek de zaal rond. De koningin die glimlachend op het punt staat haar volk toe te spreken, maar dat deed ze niet. Ze ging zitten aan een tafeltje van een of andere familie die daar duidelijk niet zo gelukkig mee was. Alle dames waren druk bezig haar kledij, kapsel en schoenen te bespreken. Ook Bea en Annemie konden het niet laten, zag ze. De heren daarentegen, stom geworden, verkneukelden zich met dat beeldschone meisje. Wie ook erg blij was haar te zien, was de Snottebel, strompelend liep hij naar haar toe en stelde zijn hele familie aan haar voor. “Eindelijk niet meer de zieligste van de zaal”, dacht Katrien, nadat hij door zijn moeder tot orde geroepen werd en flink aan zijn oren getrokken. De onderpastoor die al wat onder invloed was, dacht ook eens nader kennis te maken met dit wonderlijke schepsel, die zo’n gelijkenis vertoonde met de moeder van de Heer aan wie hij zijn hele leven had gewijd. Blozend stond hij voor haar en zij ratelde maar door. “Waar zouden zij het nu over hebben?” dacht Katrien, waarschijnlijk niet over die andere maagd. Maar Belinda maakte alweer aanstalten om te vertrekken, dus gaf de onderpastoor haar een kruisje en een lieflijk tikje op de wang. Vrolijk heupwiegend verliet ze de zaal, die haar, nog steeds verbaasd, nakeek. “Waar zou die nu heen gaan?” dacht Katrien, het deed er niet echt toe, zelf mocht ze hier nog een kwartier blijven en moest toen vertrekken.
In het feestgewoel zag ze ook de Rosse naar buiten glippen met een giechelend meisje, de koer op en beiden met een iets dikkere buik dan ze gekomen waren. Meewarig rolde Katrien met haar ogen. Hoe voorspelbaar dit feest niet was. De andere twee giecheltrutjes hadden hun vent alweer gevonden en dansten elk om beurt met hem. Verlangend keek Katrien naar zijn sterke armen. Zou zij ooit verwarmd worden door armen als deze? Maar toen zag ze het belachelijke van die vraag in en stond op, gesteund door de warme stem van Sam Cooke en de klanken van ‘Another saturday night’, zweef ze bijna naar buiten. De kilte van de nachtlucht was haar aangenamer dan de verstikkende lucht van de speelzaal. Katrien keek niet meer om, het was tijd. Ze stak de straat over, liep naar het grotje en nam het touw dat daar lag. Ze knoopte er een lus in, nam het stevig beet en stapte de grot binnen. 2005/9/23 Wat betreft Hij
Citaat : http://spaces.msn.com/members/speltincx Hij 2005/8/26 Genesis en catastrofe (een waar gebeurd verhaal) – Roald Dahl‘Alles is in orde,’ zei de dokter. ‘gaat u maar rustig liggen.’ Zijn stem was kilometers ver weg en het leek net alsof hij tegen haar schreeuwde. ‘U hebt een zoon gekregen.’ ‘Wat?’ ‘U hebt een welgeschapen zoon gekregen. U begrijpt toch wel wat ik zeg? Een welgeschapen zoon. Hebt u hem horen huilen?’ ‘Is alles goed met hem, dokter?’ ‘Natuurlijk is alles goed met hem.’ ‘Ik wil hem zien.’ ‘U krijgt hem zo meteen te zien.’ ‘Weet u zeker dat alles in orde is?’ ‘Dat weet ik heel zeker.’ ‘Huilt hij nog?’ ‘Ontspant u zich nu maar. U hoeft zich nergens zorgen over te maken.’ ‘Waarom huilt hij niet meer, dokter? Wat is er gebeurd?’ ‘Windt u zich alsjeblieft niet zo op. Alles is volkomen normaal.’ ‘Ik wil hem zien. Laat me hem alsjeblieft zien.’ ‘Lieve mevrouw,’ zei de dokter, terwijl hij een klopje op haar hand gaf. ‘U hebt een welgeschapen, sterk, gezond kind gekregen. Waarom gelooft u me toch niet?’ ‘Wat doet die vrouw met hem?’ ‘De baby wordt een beetje opgeknapt voor u hem te zien krijgt,’ zei de dokter. ‘Hij wordt alleen maar gewassen, meer niet. Daar kunt u toch wel een ogenblikje op wachten?’ ‘Zweert u dat alles in orde is?’ ‘Dat zweer ik. Gaat u nu maar rustig liggen. Doe uw ogen dicht. Toe dan, doe uw ogen maar dicht. Mooi zo. Dat is al een stuk beter. Flinke meid…’ ‘Ik heb er zo om gebeden dat hij mag blijven leven, dokter.’ ‘Natuurlijk blijft hij leven. Wat haalt u zich in uw hoofd?’ ‘De andere zijn niet blijven leven.’ ‘Wat zegt u?’ ‘Mijn andere baby’s zijn geen van allen blijven leven, dokter.’ De dokter stond naast het bed en keek neer op het bleke, uitgeputte gezicht van de jonge vrouw. Hij had haar vandaag pas voor het eerst ontmoet. Zij en haar man waren nog maar kortgeleden in de stad komen wonen. De vrouw van de herbergier, die bij de verlossing was komen helpen, had hem verteld dat de man op het plaatselijk douanekantoor bij de grens werkte, en dat het echtpaar een maand of drie geleden plotseling in de herberg gearriveerd was met een hutkoffer en een valies. De man was een dronkelap, had de vrouw van de herbergier gezegd, een arrogante, bazige, treiterige, miezerige dronkelap, maar de jonge vrouw was zachtmoedig en gelovig. En ze was heel triest. Ze lachte nooit. In de paar weken dat ze nu bij haar logeerden had de vrouw van de herbergier haar niet eenmaal zien lachen. Er deed ook een gerucht de ronde dat dit voor de man al zijn derde huwelijk was, dat zijn eerste vrouw gestorven was en dat de tweede zich om onverkwikkelijke redenen van hem had laten scheiden. Maar dat was alleen maar een gerucht.
De dokter bukte zich en trok het laken wat verder omhoog over de borst van zijn patiënte. ‘U hoeft zich heus nergens zorgen over te maken,’ zei hij vriendelijk. ‘Het is een volkomen normaal kind.’ ‘Dat zeiden ze van de anderen ook. Maar ik ben ze allemaal kwijtgeraakt, dokter. In de afgelopen achttien maanden ben ik alledrie mijn kinderen kwijtgeraakt, dus u moet het me maar niet kwalijk nemen dat ik me zorgen maak.’ ‘Drie?’ ‘Dit is mijn vierde…in vier jaar.’ De dokter schuifelde onrustig met zijn voeten over de kale vloer. ‘Ik geloof niet dat u weet wat zoiets betekent, dokter, om ze allemaal kwijt te raken, alledrie, langzaam, stuk voor stuk, één voor één. Ik zie ze de hele tijd voor me. Ik zie Gustavs gezichtje op dit moment net zo duidelijk voor me alsof hij hier naast me in bed lag. Gustav was echt een schat van een jongen, dokter. Maar hij was altijd ziek. Het is zo verschrikkelijk als ze altijd ziek zijn en je helemaal niets kunt doen om ze te helpen.’ ‘Ja.’ De vrouw deed haar ogen open, staarde de dokter enkele seconden aan en deed ze toen weer dicht. ‘Mijn dochtertje heette Ida. Ze is een paar dagen voor Kerstmis gestorven. Dat is nog maar vier maanden geleden. Ik wou dat u Ida gekend had, dokter.’ ‘U hebt nu weer een kind.’ ‘Maar Ida was zo mooi.’ ‘Ja,’ zei de dokter. ‘Ik weet het.’ ‘Hoe kunt u dat nu weten?’ riep ze uit. ‘Ik ben ervan overtuigd dat het een allerliefst kind was. Maar dat is deze baby ook.’ De dokter wendde zich af van het bed en liep naar het raam om naar buiten te kijken. Het was een regenachtige, grauwe middag in april, en hij keek naar de rode daken van de huizen aan de overkant van de straat en de enorme regendruppels die op de dakpannen spetterden. ‘Ida was twee, dokter…en ze was zo mooi dat ik mijn ogen niet van haar kon afhouden van het moment dat ik haar ’s ochtends aankleedde tot ze ’s avonds weer veilig in bed lag. Ik leefde voortdurend in doodsangst dat het kind iets zou overkomen. Gustav was dood en mijn kleine Otto was dood en zij was het enige dat me nog restte. Soms stond ik midden in de nacht op en dan sloop ik naar het wiegje en hield mijn oor vlak bij haar mond om te horen of ze nog ademde.’ ‘Rust u nu liever wat uit,’ zei de dokter, terwijl hij terugliep naar het bed. ‘Rust u nu alsjeblieft een beetje uit.’ Het gezicht van de vrouw was bleek en bloedeloos, en de huid bij de neusvleugels en om de mond zag vaag blauwachtig-grijs. Een paar slierten nat haar hingen over haar voorhoofd en kleefden aan de huid. ‘Toen ze stief…ik was alweer zwanger toen het gebeurde, dokter. Dit kind was al ruim vier maanden onderweg toen Ida doodging. “Ik wil geen kind meer!” heb ik na de begrafenis geschreeuwd. “Ik wil niet meer! Ik heb genoeg kinderen begraven” En mijn man…die liep tussen de gasten rond met een groot glas bier in zijn hand…en hij draaide zich ineens om en zei: “Ik heb nieuws voor je Klara, ik heb goed nieuws.” Kunt u zich zoiets voorstellen, dokter? We hebben net ons derde kind begraven en hij staat daar met een glas bier in zijn hand en zegt dat hij goed nieuws voor me heeft. “Ik ben met ingang vandaag overgeplaatst naar Branau,’ zegt hij, “dus kun je meteen beginnen met pakken. Dit wordt een nieuw begin voor je Klara,” zegt hij. “Je krijgt een andere omgeving en je kan naar een andere dokter gaan…” ’ ‘Praat u nu maar even niet.’ ‘U bent toch de nieuwe dokter, hè dokter?’ ‘Inderdaad.’ ‘En we zijn in Branau.’ ‘Ja.’ ‘Ik ben bang, dokter.’ ‘U moet proberen om niet bang te zijn’ ‘Hoeveel kans heeft dit vierde kind?’ ‘U moet ophouden met zo te denken.’ ‘Ik kan het niet helpen. Ik ben ervan overtuigd dat het erfelijk is, dat al mijn kinderen op die manier sterven. Dat moet wel.’ ‘Dat is onzin.’ ‘Weet u wat mijn man zei toen Otto net geboren was, dokter? Hij kwam de kamer binnen en keek in de wieg waar Otto lag en zei: “Waarom moeten al mijn kinderen zo klein en zwak zijn?” ’ ‘Dat heeft hij vast niet gezegd.’ ‘Hij stak zijn hele hoofd in Otto’s wieg alsof hij een piepklein insect bestudeerde, en hij zei: “Ik bedoel alleen maar, waarom kunnen ze niet steviger in elkaar zitten? Dat bedoel ik alleen maar.” En drie dagen later was Otto dood. We hebben hem op de derde dag nog gauw laten dopen en die avond is hij gestorven. En daarna stierf Gustav. En toen stief Ida. Ze zijn allemaal doodgegaan, dokter…en het hele huis was ineens leeg.’ ‘Denk daar nu maar niet meer aan.’ ‘Is deze ook zo ontzettend klein?’ ‘Het is een normaal kind.’ ‘Maar klein?’ ‘Hij is misschien een tikkeltje aan de kleine kant. Maar zulke kleintjes zijn vaak een stuk taaier dan de grote. Denkt u zich toch eens in, volgend jaar om deze tijd leert hij al bijna lopen. Is dat geen heerlijke gedachte?’ Ze gaf geen antwoord. ‘En over twee jaar kletst hij u waarschijnlijk de oren van het hoofd en maakt hij u dol met zijn gekwebbel. Hebt u al besloten hoe u hem gaat noemen? ‘Hoe ik hem ga noemen?’ ‘Ja.’ ‘Ik weet het niet. Ik weet het niet. Mijn man zei dat hij Adolfus moest heten als het een jongen was.’ ‘Dat wil dus zeggen dat zijn roepnaam Adolf wordt.’ ‘Ja. Mijn man was voor Adolf omdat het een beetje op Alois lijkt. Mijn man heet Alois.’ ‘Prachtig.’ ‘O nee!’ riep ze uit, en veerde plotseling omhoog uit het kussen. ‘Dat hebben ze me ook gevraagd toen Otto net geboren was! Het betekent dat hij doodgaat! U wilt hem zeker meteen laten dopen!’ ‘Rustig, rustig,’ zei de dokter en pakte haar zachtjes bij haar schouders beet. ‘U vergist zich. U vergist zich heus. Ik ben gewoon een nieuwsgierige oude man, meer niet. Ik praat graag over namen. Ik vind Adolfus een bijzonder mooie naam. Het is een van mijn lievelingsnamen. En kijk eens – daar is hij dan.’ De vrouw van de herbergier kwam op het bed afgestevend, met de baby tegen haar enorme boezem gedrukt. ‘En daar is ons mooie jochie dan!’ riep ze uit, met een stralende glimlach op haar gezicht. ‘Wil je hem even vasthouden, lieverd? Zal ik hem bij je in bed leggen?’ ‘Is hij goed ingepakt?’ vroeg de dokter. ‘Het is hier bijzonder koud.’ ‘Natuurlijk is hij goed ingepakt.’ De baby was stijf in een witte wollen doek gewikkeld en het heel kleine roze hoofdje was het enige dat er van hem te zien was. De vrouw van de herbergier legde hem voorzichtig naast de moeder op het bed. ‘Alsjeblieft,’ zei ze. ‘Ga hem nu maar eens op je gemak bekijken.’ ‘Ik denk dat hij u wel zal bevallen,’ zei de dokter met een glimlach. ‘Het is een mooi kindje.’ ‘Hij heeft zulke beeldige handjes!’ riep de vrouw van de herbergier. ‘Met van de lange, slanke vingers!’ De moeder verroerde zich niet. Ze draaide niet eens haar hoofd naar het kind. ‘Toe maar!’ riep de vrouw van de herbergier uit. ‘Hij zal je heus niet bijten!’ ‘Ik durf niet kijken. Ik durf gewoon niet geloven dat ik weer een kind heb gekregen en dat er niets aan mankeert.’ ‘Doe niet zo dom’ Langzaam wendde de moeder haar hoofd om en keek naar het kleine, ongelooflijke serene gezichtje dat naast haar op het kussen lag. ‘Is dat mijn baby?’ ‘Natuurlijk.’ ‘O…o…wat is hij mooi.’ De dokter draaide zich om en liep naar de tafel en begon zijn instrumenten in zijn tas te stoppen. De moeder lag in bed en staarde naar het kind en glimlachte en raakte het aan en maakte kleine verrukte geluidjes. ‘Dag Adolfus,’ fluisterde ze. ‘Dag kleine Adolfus van me…’ ‘Ssst!’ zei de vrouw van de herbergier. ‘Luister eens! Ik geloof dat uw man eraan komt.’ De dokter ging naar de deur en maakte hem open en keek de gang in. ‘Komt u maar binnen.’ Een kleine man in een donkergroen uniform stapte zachtjes de kamer binnen en keek om zich heen. ‘Hartelijk gelukgewenst,’ zei de dokter. ‘U hebt een zoon gekregen.’ De man had een enorm, grote, bijzonder goed verzorgde Franz Josef-snor, en hij rook sterk naar bier. ‘Een zoon?’ ‘Ja.’ ‘Hoe maakt hij het?’ ‘Hij maakt het uitstekend. Uw vrouw trouwens ook.’ ‘Mooi zo.’ De vader draaide zich om en liep met merkwaardig kleine, trotse pasjes naar het bed van zijn vrouw. ‘En, Klara,’ zei hij, glimlachend achter zijn snor. ‘Hoe is het gegaan?’ Hij boog zich voorover om de baby te bekijken. Toen boog hij zich verder en verder voorover totdat zijn gezicht nog maar een centimeter of vijfentwintig verwijderd was van het hoofdje van de baby. De vrouw lag op haar zij en keek naar hem op met iets smekends in haar blik. ‘Hij heeft een fantastisch stel longen,’ verklaarde de vrouw van de herbergier. ‘U had hem moeten horen krijsen toen hij net op de wereld was.’ ‘Maar mijn God, Klara…’ ‘Wat is er lieverd?’ ‘Deze is zelfs nog kleiner dan Otto!’ De dokter kwam snel een paar passen dichterbij. ‘Dit kind mankeert niets,’ zei hij. De echtgenoot kwam langzaam overeind en wendde zich van het bed af en keek de dokter aan. Hij maakte een verbijsterde, verslagen indruk. ‘U hoeft ons niet voor te liegen, dokter,’ zei hij. ‘Ik weet wat dit betekent. Het wordt weer precies hetzelfde als al die andere keren.’ ‘Luistert u nu eens naar me,’ zei de dokter. ‘Maar weet u wat er met de anderen is gebeurd, dokter?’ ‘U moet die anderen nu vergeten, Herr Hitler. U moet dit kind een kans geven.’ ‘Maar zo klein en zwak!’ ‘Waarde heer, hij is net geboren!’ ‘Jawel, maar toch…’ ‘Wat bent eigenlijk van plan?’ riep de vrouw van de herbergier uit. ‘Wilt u hem het graf in praten?’ ‘Houdt uw mond!’ zei de dokter kortaf. De moeder huilde nu. Haar hele lichaam schokte van het snikken. De dokter liep naar de echtgenoot toe en legde zijn hand op diens schouders. ‘Wees lief voor haar,’ fluisterde hij. ‘Alstublieft. Dat is erg belangrijk.’ Hij kneep hard in de schouder van de man en begon hem ongemerkt naar de rand van het bed te duwen. De man aarzelde. De dokter kneep nog wat harder en beduidde hem met vingers en duim dringend wat hij moest doen. Tenslotte bukte de man zich onwillig en kuste zijn vrouw vluchtig op de wang. ‘Toe nou maar, Klara,’ zei hij. ‘Hou op met huilen.’ ‘Ik heb er zo om gebeden dat hij mag blijven leven, Alois.’ ‘Ja.’ ‘Ik ben maandenlang elke dag naar de kerk gegaan om op mijn knieen te smeken dat deze mag blijven leven.’ ‘Ja, klara, dat weet ik.’ ‘Drie dode kinderen is wel het uiterste dat ik kan dragen, besef je dat niet?’ ‘Natuurlijk.’ ‘Hij moet blijven leven Alois. Hij moet, hij moet…O God, weest u hem alstublieft genadig…
2005/8/25 meisjes...Er was eens een meisje dat leefde in een klein dorpje op het platteland. Iedere dag speelde ze samen met haar zusjes in hun tuintje, ze maakten kampen, gingen naar het speelplein,…Maar ze had nog nooit een stap buiten haar dorpje gezet, al wat ze kende van de buitenwereld kwam uit boeken, de weinige boeken uit hun kleine dorpsbibliotheek. Het meisje hield dan ook zeer van lezen. Haar hele familie woonde ook in dat dorpje, haar oma en opa, haar twee ooms en tantes en haar nichtjes en neefjes. Haar ouders waren beide leraars, erg streng, ook in hun gezin. Ze gingen nooit op reis, ze hadden geen tv, en de boeken die het meisje las werden ook nog gecensureerd.
Toen het meisje al wat groter werd, tuurde ze soms verlangend de horizon af, hopend dat zij ook ooit daarheen kon gaan. Iedere avond bad ze vurig dat haar ouders hen op een dag mee zouden nemen naar de zee of naar de stad, maar haar wensen kwamen nooit uit. En zo leefde ze verder, spelend met haar zusjes, lezend in de tuin, ze ging naar school wanneer ze moest en leerde erg hard.
Tot op een dag een verdwaalde toerist bij hen aanbelde. Haar vader deed open, de toerist vroeg de weg naar het dichtstbijzijnde dorp en haar vader legde vriendelijk de weg uit. Het meisje nu, had ook zeer goed geluisterd naar die uitleg. ’s Morgens vroeg sloop ze het huis uit en met een klein rugzakje ging ze op pad. Na een uurtje wandelen zag ze het dorp al liggen, binnenin juichte ze stilletjes en na een kwartiertje kwam ze aan in het dorp. Ze bekeek aandachtig alle huizen, ging even binnen in de kerk om God te danken voor het geweldige avontuur dat ze beleefde en ging toen naar de bakker om een koek. Op een bankje zat ze te genieten van haar koek en de nieuwe wereld die ze was ingetrokken.
Daarna stond ze op om de terugtocht in te zetten. Wanneer ze thuiskwam was het meisje overgelukkig, nu had ze eindelijk de wereld gezien. 2005/8/23 The IslandGisteren naar de film geweest. (weeral, jaja…) Alleen (dus eigenlijk samen) met mijn beste vriendin op (een zeer korte) reis naar Kortrijk, meer bepaald naar het Kinepolis-complex. Na getreuzel bij het kiezen aan de (u welbekende) posters met uitleg, kozen we uiteindelijk voor de sci-fi thriller “The Island”.
Bij wie het verhaal nog niet bekend is, het speelt zich af in een soort van utopische toekomst waar het hele leven in een reusachtig gebouw geregeld wordt omdat het leven “buiten” niet meer mogelijk is. Een van de mensen die daar leeft, namelijk Lincoln six-echo –ofwel Ewan Mcgregor- is een beetje anders dan de rest. Hij stelt vragen over hun leven daar, hoe het komt dat er nog steeds mensen gevonden worden in de buitenwereld, wie zijn was doet, eten regelt,…en nog meer lastige vragen voor de dokter die het daar een beetje leidt. Iedere dag is er ook een loterij, de winnaar daarvan mag naar “Het eiland”, de enige plaats op aarde die “schoon” gebleven is. Het is ieders grootste wens om naar “Het eiland” te gaan. Tot op een dag Lincoln veel te nieuwsgierig wordt en op ontdekking gaat, en hij vreselijke dingen ziet, hij ziet hoe de winnaars niet naar “Het eiland” gebracht worden, maar gedood. Hij ontdekt dat ze eigenlijk klonen zijn. Samen met zijn vriendin (letterlijk vriendin, want seks kennen ze daar niet) slaat hij op de vlucht. Dan volgt een grootse achtervolgingsscène, zoekactie naar de twee “producten” in alle geheim, want niemand mag weten dat de mensen die gekloond worden echt leven, iedereen denkt dat de klonen kunstmatig in leven gehouden worden, niet dat ze rondlopen, eten, denken, voelen,…
En dat is natuurlijk de grote vraag, als er gekloond wordt met het enige doel dat de organen gebruikt worden als dat nodig is en de kloon dan laten sterven, is dat dan niet gelijk aan moord? Zijn klonen mensen? Hebben ze een ziel?
In de film is het duidelijk dat ze wel degelijk voor zichzelf kunnen denken en een “ziel” hebben , wat dat ook mag zijn.
Als je kijkt naar de dieren die ondertussen al gekloond werden, zou je toch wel denken dat het ook gewone “onafhankelijk” individuen zijn, dieren natuurlijk, maar toch. Zoals altijd wel ter sprake komt, mogen we zelf God spelen?
Zelf vind ik genetische manipulatie zeer goed als het gebruikt wordt om bijvoorbeeld een geneesmiddel te vinden of een betere soort van plant en als het zou kunnen alleen organen van mensen of ander dergelijke dingen. Maar daadwerkelijk mensen klonen om de redenen hierboven of zelfs omdat de personen geen kinderen krijgen, vind ik eigenlijk niet kunnen. IVF vind ik zelfs al te ver gaan. Ik weet niet hoe het moet zijn voor mensen die zeer graag kinderen willen, maar geen kunnen krijgen, ik denk dat het niet meer dan normaal is dat ze kinderen van hun eigen bloed willen. Maar er zijn zovele kinderen in derde wereld landen die geen ouders hebben, geen mooie toekomst, sommige zelfs geen toekomst. Is het dan niet beter om te adopteren? Kinderen zonder toekomst een toekomst geven, kinderen zonder ouders lieve (“rijke”) ouders geven…
Het is alleen maar wat ik denk, maar ik vind het niet nodig God te spelen, al te veel mensen hebben dat geprobeerd en niet veel goeds is daar uitgekomen. Mensen zullen altijd mensen blijven… 2005/8/14 “Only boys that save their pennies make my rainy day…”Grote grijze wolken verduisteren de hemel die er vanmorgen zo heerlijk veelbelovend blauw en zonnig uitzag. De regen tikt zelfs niet meer, ze slaat hard op de ramen, op het dak. Nog geen minuut na het begin van de stortbui is alles al doorweekt, je kunt van het gras drinken, de bladeren van de bomen blijven maar druppen en nog is het niet genoeg. De regen blijft met bakken uit de lucht komen en het wordt steeds donkerder. Gelukkig vliegen de wolken langzaam over en stopt de regen zachtjes, enkele druppels vallen nog, de grijze hemel wordt vervangen door een vuilwitte.
Ik vraag me af wat er nu weer allemaal verkeerd loopt in de wereld om dit beeld te scheppen op een dag als deze. Ik dacht dat het toch nog altijd zomer was? 14 augustus? En het is nipt 17°, het regent constant en anders is de hemel wel zwaar bewolkt. Met vrezend hart geef ik toe dat ik wel eens denk over het einde van deze wereld, van de mensen, door de mensen.
Vrijdagavond film bekeken: Red planet. Voor wie hem niet kent, het speelt zich af in de nabije toekomst, de aarde is helemaal verziekt door menselijke vervuiling en overbevolking. De mensheid zal het niet lang meer uithouden daar, vele andere diersoorten zijn al uitgestorven,…Daarom gaan ze op zoek naar een nieuwe planeet waar de mensheid opnieuw kan beginnen, want de aarde is niet meer te redden. (De rest van het verhaal doet er niet echt toe.) Als ik zie hoe wij nu bezig zijn denk ik niet dat die film volledig onrealistische sciencefiction is, meer zelfs het lijkt er meer en meer op dat dat onze toekomst zal zijn.
Is dat het dan? Is de wereld niet meer te redden? Stevenen we recht af op een Apocalyps of kunnen we onze koers nog wijzigen? Hoe drastisch zal die verandering dan moeten zijn? Hebben we nog genoeg tijd om te veranderen? Is er eigenlijk wel iemand die wil veranderen?
Dat maakt mij toch een beetje bang. Vele mensen geven er niet om wat er met de wereld zal gebeuren als zij niet meer leven, dus vervuilen ze er maar op los, want het is waar, zij zullen het niet meer meemaken. Maar dat vind ik totaal verkeerd. Wie zijn wij om te oordelen dat we de aarde ten onder mogen laten gaan? Waarom blijven we maar vervuilen, terwijl we al weten hoe we het beter kunnen doen? Maar het antwoord kennen we al natuurlijk, geld. Het kost meer om gezond te leven, op groene energie, om te recycleren,… Als dat niet de meest kortzichtige visie is die er bestaat. Zo materialistisch.
Madonna wist het vroeger al: “You know that we are living in a material world”.
2005/8/6 Home alone: deserted PoperingeEen veel te koude zomerdag, de gure wind speelt met de natte haren van een meisje dat zo vlug mogelijk onder de nieuwe aankomende grijze wolken door fietst. Geen andere fietsers kruisen haar pad, wanneer de eerste regendruppels vallen is er geen auto te bekennen. Vlugger fietst ze door de verlaten straten, een onaangenaam gevoel bekruipt haar, ze kijkt achterom: niets. Hoewel de wind haar danig tegenwerkt, duwt ze harder op haar trappers. Ze vliegt door de nu gietende regen, de wind rukt aan haar fiets, aan haar lichaam. Ze houdt zich stevig vast, haar einddoel is in zicht, nog steeds geen achtervolgers in zicht, niemand op straat, alle lichten uit. De avond zet zich vroeger in, de duisternis omhult haar, terwijl de wind en de regen een machtsspelletje spelen. Geen andere geluiden dan haar eigen hijgende ademhaling en de woedende natuurelementen. Piepende remmen. Een bliksemschicht scheurt de hemel in twee. Het meisje valt, samen met de donder. Het onweer raast verder. Stil blijft ze liggen, geen zin meer om op te staan, boven haar gaan de donder en de bliksem fel te keer. Het water heeft haar nu overal doordrongen, door de natte stenen van de straat en de harder wordende regendruppels grijpt de koude haar stevig vast. Ze sluit haar ogen. Nog een flits. De brullende stem van de donder. Zuchtend kruipt ze recht, neemt haar fiets en stapt de laatste meters. De sleutel klikt in het slot, de deur zwaait open onder haar gewicht. Haar kleren laat ze vallen op de koude vloer. Geen licht meer. Enkel de warme straal van de douche ontspant haar. Helemaal alleen thuis. Ze kruipt vroeg in bed, de regen tikkend op het dak. 2005/8/5 atoombomZoals al eerder gezegd meen ik dat het leven niet uit atomen, maar uit verhalen bestaat. Want wat is leven? Het leven? Toch niet een reeks aan elkaar vastgeplakte atomen? (Wetenschappelijk gezien natuurlijk wel, maar ik denk dat ik al vele malen en meer dan genoeg aangetoond heb dat ik helemaal geen vrouw van de wetenschap ben…)
Leven is een verhaal maken. Luisteren naar Het verhaal van anderen. Zelf je eigen “levensverhaal” aan “Het Leven” toevoegen…
Mijn verhaal is nog maar pas begonnen, ik weet niet wat er allemaal komen zal of het een “happy end” krijgt in een romantisch verhaal of een thriller of misschien zelfs een horrorverhaal…
De toekomst staat niet in de sterren geschreven –jammer genoeg- zoals sommigen beweren, ook niet in de palm van je hand, noch de ingewanden van dieren, theeaftreksels, kaarten,… Of in gelijk wat voor andere rotzooi ze nog allemaal verkopen.
Sommige mensen schrikken ervan als je openlijk laat blijken dat je “atheïstisch” bent. Brrr. Enge ziekte: atheïst. Nuja, misschien is dat ook wel wat overdreven, laten we het maar houden bij agnost dan. Want eigenlijk heb ik echt geen idee wat ik moet geloven, daarom geloof ik maar liever niets.
De wereld, meer bepaald mensen in die wereld beladen ons met een reusachtige hoeveelheid figuren om in te geloven. Vroeger volgde je het geloof van je streek, het was dan ook het enige dat je kon volgen, want je kende gewoon geen andere. Nu, in een wereld waar privacy niet meer bestaat en je met iedereen over de hele wereld kan communiceren, staan alle deuren van Het Geloof open, of dat nu van een “echte” religie is of een van de talloze sektes. En zelfs dan nog zijn er schemerzones, wanneer je niet echt tot iets behoort, maar gewoon “gelooft”. Sommige van die overtuigingen klinken alleszins wel beter dan religies, aannemelijker, maar om te zeggen dat ik er rotsvast in geloof…
Mijn meter daarentegen wel. (bij het woord meter denken de meeste waarschijnlijk aan oud vrouwtje dat ik twee keer per jaar opzoek, maar niets is minder waar. We hebben altijd een goede band gehad, ze is meer een vriendin dan een tante of meter. Mijn doopmeter is pas 37 en heeft vijf kinderen, mijn neefje stierf toen hij acht maanden oud was, ikzelf was toen 9.) Zij gelooft in reïncarnatie, het idee alleen al dat er niets zou zijn na de dood, en dat iemand dat nog gelooft ook, vindt zij verschrikkelijk. (ook daarom hou ik het liever op agnost) Haar eigen theorie betekent ongeveer dit: er bestaat een plaats waar alle zielen zich bevinden, soms verlaat een ziel die plaats en gaat hij naar de aarde om even mens te zijn. Sommige zielen hebben dat vele malen gedaan en zijn “oude”, andere zijn “nieuw”. Dat kun je dan ook zien bij mensen, zo zegt ze dat ik een heel oude ziel heb, die het niet meer nodig vindt om dingen te onderzoeken, in tegenstelling tot mijn zussen die nogal “jong” zijn en meer lichtvoetig met het leven omspringen.
Als je het zo bekijkt zijn de “serieuzere”-stille mensen hier, oude zielen en de vrolijk-door-het-leven-huppelende-mensen eerder jonge zielen.
Iedereen denkt en gelooft wat hij of zij zelf wil natuurlijk.
Maar vandaag zag ik in Koppen een ietwat angstaanjagende reportage over de Verenigde Staten. Het onderwerp zelf was al erg genoeg, maar wat je op de achtergrond zag… Hoe patriottistisch en conservatief en orthodox sommige Amerikanen zijn, je moet er wel bang van worden.
Soms vraag ik me af of er ooit een wereld zal bestaan waarin je niet bang hoeft te zijn, niet bang van je eigen regering, niet van andere landen of werelddelen, niet van terroristische groepen, niet voor milieurampen,…niet bang hoeft te zijn voor andere mensen.
2005/7/18 "Tharrei, Panthea, kai chaire kai apithi èdè..."Vandaag herinnerde iemand me aan een mooi verhaal. Een verhaal geschreven door de Griekse schrijver Xenophon (427-355 V.C.), die we dit jaar gezien hebben. We lazen enkele stukjes uit de Cyropaedie, en één verhaal is me zeker bijgebleven. Het tragische liefdesverhaal van Abradatas en Panthea. Als je de hele tekst wil lezen :
http://www.iranchamber.com/history/xenophon/cyropaedia_xenophon_book5.php
In het engels weliswaar…Hier het mooiste stukje (volgens mij), waarin Abradatas naar de oorlog vertrekt en afscheid neemt van zijn geliefde Panthea, beide wetend dat hij niet terug zal komen…
"Op dat moment beval Panthea de omstaanders zich terug te trekken en ze zei: ‘Abradatas, indien ooit een vrouw haan man meer gewaardeerd heeft dan zichzelf, dan meen ik dat jij beseft dat ik één van hen ben. Waarom is het nodig dat ik één voor één elke blijk van mijn liefde en eerbied zou moeten opsommen? Immers ik meen dat de daden die ik gedaan heb overtuigender zijn dan de woorden die nu uitgesproken zijn. Hoewel ik zo tegenover jou sta, zoals je wel weet, zweer ik toch bij onze wederzijdse genegenheid, dat ik liever samen met jou begraven word, als je dapper geworden bent, dan te leven in een schaamte met iemand die zich moet schamen. Zozeer heb ik zowel jou als mezelf tot eervolle daden geroepen geacht. Ik meen dat we Cyrus een grote dank verschuldigd zijn. Aangezien toen ik krijgsgevangene geworden was en ik aan hem uitgeleverd was, hij het toch passend vond om mij als slavin te verwerven noch als vrije vrouw met een eerloze naam, maar hij heeft me voorbehouden voor jou als had hij de vrouw van een broer opgenomen.Tenslotte heb ik hem beloofd, toen Araspas, mijn eigen bewaker, overgelopen was van hem dat indien hij mij iemand naar jou liet zenden, jij dan naar hem zou komen als een veel trouwer en beter man dan Araspas.’ Dit waren haar woorden. Opgetogen over haar woorden, legde Abradatas zijn hand op haar hoofd, keek naar de hemel en bad: ‘O machtige Zeus, geef dat ik een waardig man in de ogen van Panthea schijn en een waardevolle vriend voor Cyrus, die ons verdienstelijk behandeld heeft.’ Na dit gezegd te hebben, stapte hij via de deurvleugels van de wagenbak in de strijdwagen. Toen hij opgestapt was, sloot de wagenmenner de wagenbak en Panthea kuste de wagenbak, aangezien ze niet wist hoe ze hem op een andere manier kon omhelzen. Toen de strijdwagen reeds vooruitgegaan was, volgde ze hem stiekem, totdat Abradatas zich omdraaide, haar opmerkte en zei: ‘Wees dapper, Panthea, vaarwel en ga nu maar heen.’ Daarna namen de eunuchen en de dienaressen haar vast, begeleidden haar naar de reiswagen en onttrokken haar aan het gezicht dmv de huif. De mensen konden niet eerder naar hem kijken alvorens Panthea weggegaan was, hoewel het schouwspel van Abradatas en de strijdwagen mooi waren." (http://members.fortunecity.com/huggie/Scripties/Klassiek/grieks/xenophon/cyropaedie.htm)
|
|
|